13. mei, 2015

De doodsmak van Willem de Zwijger

Juist wanneer ik een ontwerp wil uitprinten, krijg ik op het scherm de mededeling te zien dat de inkt cardridge vervangen dient te worden. Helaas blijkt de voorraad ook op, slordig van me.

'Een tattooshop zonder inkt is als een kroeg zonder bier', is het credo van mijn baas. En daar heeft hij gelijk in. Dit kan niet.

Ik kijk in de agenda en zie dat er straks een afspraak staat gepland voor Gabi. Daar heeft ze mij niet direct bij nodig, dus besluit ik even snel de stad in te gaan om nieuwe cardridges te halen. Engelsman Clive heeft pas over een uur zijn eerste afspraak, dus hij belooft de telefoon op te nemen en eventuele binnenlopers te woord te staan tijdens mijn afwezigheid.

In de stad loopt het allemaal een beetje tegen. De cardridges die ik nodig heb bestaan nog wel, maar zijn enkel nog online te verkrijgen volgens de winkelier. Maar ik heb ze nu nodig! Pas drie winkels later heb ik geluk. Eindelijk! We kunnen weer printen! Snel keer ik terug naar de shop.

Wanneer ik binnen kom, ligt Gabi's klant al op zijn buik op de behandeltafel. De kleine man is vriendelijk, maar zegt weinig. Roerloos en zwijgzaam ligt hij op het bed. Lekker rustig dat wel.

Hij laat een flink rugstuk zetten. Hij heeft gekozen voor een realistisch ontwerp waarin Gabi gespecialiseerd is. Het wordt prachtig, maar wel een hele klus. Toch geeft hij geen kik. Soms lijkt het zelfs of hij slaapt. Zo nu en dan ga ik bij hem kijken om te vragen hoe het gaat. En om te zien of hij nog ademt.

Maar alles gaat goed. Willem oogt blij en lijkt nergens last van te hebben. Wat ik hem ook vraag, het antwoord luidt steevast: 'Prima'. Ik kijk in de agenda welke naam daar genoteerd staat, maar daar staat alleen: meneer de Zwijger. Ik schiet in de lach.

Zijn voornaam staat er niet bij vermeld. In gedachten noem ik hem Willem.

'Wilt u misschien iets drinken?' vraag ik hem als Gabi een korte rookpauze inlast. 'Prima', zegt Willem. 'Thee, koffie? Misschien wat fris?' 'Thee is prima'. 'Suiker?' 'Prima!' Willem gaat rechtop zitten en ik geef hem een bekertje thee. Ik weet niet zo goed wat ik met hem aanmoet, dus glimlach ik maar even naar hem. Willem glimlacht terug. Misschien heeft hij gewoon niet zo'n grote woordenschat, dat komt voor. Of hij denkt: 'Mens, laat me toch met rust met je geouwehoer.' Dat kan natuurlijk ook.

Ik besluit het balletje bij hem neer te leggen.

'Als u iets nodig heeft laat u het me maar weten', bied ik hem aan.

Willem knikt. 'Ja. Prima.'

Na nog eens twee uur prikken, is Willem eindelijk klaar. Voor vandaag. Terwijl ik in het magazijn het gereedschap aan het steriliseren ben en met handschoenen aan de spullen sta schoon te borstelen, laat Gabi me weten echt heel erg nodig naar de WC te moeten en vraagt mij of ik alsjeblieft even wil helpen. Ik vraag me af waarmee, maar Gabi is al het toilet in gerend. Ik kijk om een hoekje naar wat Willem in de shop aan het uitspoken is, maar die zit gewoon netjes – nog steeds stilzwijgend - rechtop op het bed.

Als hij me ziet kijkt hij me vriendelijk knikkend aan. Zijn voeten bungelen losjes boven de grond. 'Hoe voelt u zich?' vraag ik voor alle zekerheid. Soms worden mensen wat duizelig of misselijk. Maar Willem niet. 'Prima!' Ik kijk naar wat er op zijn rug aan de hand is, maar Gabi heeft hem al netjes verbonden met folie en tape.

Wat is dit, een quiz? Wat moet ik doen?

Mezelf nog steeds afvragend waar Gabi mijn hulp voor nodig heeft vraag ik dan maar: 'Wilt u eraf?' Willem is klein dus misschien vindt hij het eng om van de behandeltafel af te springen. Ik kan anders ook even niets verzinnen. WIllem knikt. A-ha. Dus dat is het.

Ik loop terug naar het magazijn, trek mijn handschoenen uit en was mijn handen waarna ik Willem een hand geef en hem voorzichtig doch ferm van het bed af help. Hij is zo licht als een veertje.

Zodra Willem staat en ik me wil omdraaien om weer verder te gaan met waar ik mee bezig was, zie ik in een flits achter het scherm van de piercingcorner een rolstoel staan. Op hetzelfde moment hoor ik achter me een doffe dreun gevolgd door een verschrikte kreet van Gabi die juist op dat moment de shop weer binnen komt lopen.

'Nathalllee!' roept ze met haar koddige Oostblokse dikke 'L' accent. 'He can't walllk!'

Mijn hart staat even een moment stil om daarna direct op hol te slaan. Wat heb ik gedaan! Ik maak Willem- die als een vormeloze hoop bewegingloos met zijn gezicht plat op de vloer ligt -duizend excuses en het huilen staat me nader dan het lachen. Wat heb ik met hem te doen. 'Het spijt me zo meneer, wat erg. Sorry! Ik wist het niet!'

Ik zie mijn geest al dwalen. Mankeert hij iets? Heeft hij een gebroken been? Een hersenschudding? Gebroken neus? Schedelbasisfractuur? Hij ligt er zo raar bij! Moet ik hem naar de dokter brengen? Een ambulance bellen? Heeft hij pijn? Is hij dood?

'Meneer, hoe voelt u zich? Gaat het wel met u?'

Alsof het maken van een doodklap de gewoonste zaak van de wereld is en hij dagelijks met zijn benen half in de tist met zijn rug verpakt in diepvriesfolie als een wokkel op de grond ligt, klinkt het gedempt doch welgemeend onder de tafel vandaan:

'Ja hoor! Prima!'