Alleen zijn en eenzaam zijn is niet hetzelfde
Alleeen en eenzaam zijn is niet hetzelfde.
Ik kom uit een familie waar autonomie met de paplepel is ingegoten. Zowel mijn vader als mijn moeder konden zich als kind al prima alleen vermaken en dat gold ook voor mijn oma.
Mijn oma was hoogbegaafd. Ze luisterde graag naar de opera op radio 4, keek tot diep in de nacht films, sprak drie talen vloeiend en deed op hoge leeftijd nog een cursus Spaans die ze cum laude afrondde.
Ze las veel en schaakte. Met haar schaakcomputer. Urenlang, de ene partij na de andere. Daarbij kookte ze graag, ook voor zichzelf. Ze dekte de tafel voor één en at met smaak haar eigen gerechten.
Kortom, ze had haar hele leven weinig behoefte aan andere mensen, kon zichzelf prima vermaken.
Tot ze in een verzorgingstehuis terechtkwam, waar alleen willen zijn kennelijk als probleem werd gezien. Ze moest vooral onder de mensen komen, anders zou ze vereenzamen, aldus het personeel.
Dus werd ze min of meer aangespoord om mee te doen aan groepsactiviteiten en gezellig met andere bewoners aan tafel te gaan zitten. Mensen die ze niet kende, waar ze geen behoefte aan had, waar ze geen goed gesprek mee kon voeren en met wie ze al helemaal niet samen mee wilde eten.
Want alleen eten is blijkbaar zielig. Met z’n allen aan tafel is gezellig. In je eentje opera willen luisteren is saai, in groepsverband liedjes zingen is leuk.
Maar wat als je daar helemaal niet gelukkig van wordt?
Mijn oma werd er juist doodongelukkig van. Niet omdat ze eenzaam was, maar omdat anderen besloten dat haar manier van leven niet goed voor haar kon zijn.
Alleen is niet altijd hetzelfde als eenzaam. Misschien zouden we eens wat minder moeten bepalen hoe iemand anders gelukkig hoort te zijn.
Naast patience en een schaken deed mijn oma meer spelletjes in haar eentje.
Dit speelde ik als kind graag wanneer ik bij haar was.
En soms nog steeds.
